Vermogenswinst en beleggingsbelasting in Nederland (2026)
Nederland belast beleggen op een manier die vrijwel iedereen verrast die uit het buitenland komt: er is geen gewone vermogenswinstbelasting voor particuliere beleggers. In plaats daarvan vallen je spaargeld en beleggingen onder "box 3", een vermogensbelasting op basis van een verondersteld rendement in plaats van op wat je werkelijk verdiende. Of je ETF nu 30% steeg of daalde, het uitgangspunt is dezelfde vaste aanname. Zo werkt het in belastingjaar 2026, rustig en stap voor stap.
- Maak een momentopname op 1 januari 2026. Tel je spaargeld, ETF's, aandelen, obligaties, crypto en overige bezittingen op tegen de waarde op die ene datum. Wat er gedurende het jaar gebeurt, telt in principe niet mee.
- Trek de vrijstelling af. De eerste €59.357 per persoon (€118.714 voor fiscale partners) is belastingvrij; alleen vermogen daarboven telt.
- Pas het fictieve rendement toe. Voor beleggingen geldt in 2026 een vast percentage van 6,00%; voor spaargeld een voorlopige 1,28%. Niet je echte winst, maar deze percentages bepalen de belasting.
- Betaal 36% over het fictieve rendement — ongeveer 2,16% per jaar over je beleggingswaarde boven de vrijstelling. Controleer daarna of de tegenbewijsregeling je aanslag kan verlagen.
Waar het om gaat
Het boxenstelsel. De Nederlandse inkomstenbelasting is opgedeeld in boxen. Box 1 is inkomen uit werk en woning; box 2 betreft een aanmerkelijk belang (5% of meer) in een onderneming; box 3 is inkomen uit sparen en beleggen. Vrijwel elke gewone belegger zit volledig in box 3 — en box 3 werkt heel anders dan vermogenswinstbelasting elders. Het is een vermogensbelasting op een verondersteld rendement.
Eén momentopname per jaar. Op 1 januari 2026 (de peildatum) tel je je bezittingen op: banktegoeden, ETF's, beursgenoteerde aandelen, obligaties, crypto, vorderingen en een tweede of verhuurde woning. Kopen en verkopen gedurende het jaar telt in principe niet mee, dus je belasting hangt volledig van die ene datum af (anti-misbruikregels vangen stortingen en opnames rond de peildatum af).
Fictief rendement en het vlakke tarief. Bezittingen worden in categorieën verdeeld, elk met een vast fictief rendement voor 2026: bank/spaargeld 1,28% (nog voorlopig), beleggingen en overige bezittingen 6,00% (definitief), en schulden worden afgetrokken tegen 2,70% (voorlopig). Het gecombineerde fictieve rendement — nadat de vrijstelling naar verhouding is toegepast — wordt belast tegen een vlak tarief van 36%. De eerste €59.357 per persoon (€118.714 voor fiscale partners) is vrijgesteld, en er geldt een schuldendrempel van €3.800 per persoon (€7.600 partners) voordat schulden meetellen. In de praktijk worden beleggingen boven de vrijstelling belast tegen ongeveer 6,00% × 36% = 2,16% per jaar; spaargeld tegen circa 0,46%. Er zijn geen bezitstermijnen, geen onderscheid tussen kort en lang, en geen progressieve schijven.
Dividend en rente. Werkelijk ontvangen dividend en rente worden niet apart belast in box 3 — ze zitten al (fictief) in het veronderstelde rendement. Maar op Nederlandse aandelen en fondsen wordt 15% dividendbelasting ingehouden aan de bron. Voor inwoners is dat slechts een voorheffing: volledig verrekenbaar en terug te vragen met je inkomstenbelasting, zelfs als je box 3-aanslag lager is dan de ingehouden belasting (wat vaak voorkomt). Je vraagt het terug via de jaarlijkse aangifte.
ETF's en fondsen. Een privé aangehouden ETF of fonds is gewoon een "overige bezitting", gewaardeerd op 1 januari en belast over het fictieve rendement van 6,00%. Er is geen reporting-fund-regime zoals in het VK en geen fictieve bijtelling per fonds zoals de Duitse Vorabpauschale — het Nederlandse stelsel is puur op waarde gebaseerd.