Pensioen en sparen in België: de drie pijlers
In België steunt het pensioen op meerdere « pijlers » die elkaar aanvullen. De eerste is het wettelijk pensioen van de overheid. De tweede is het aanvullend pensioen dat velen via hun werkgever opbouwen (groepsverzekering). De derde is het individueel pensioensparen, aangemoedigd door een belastingvermindering. Dit hoofdstuk legt uit hoe deze pijlers samenhangen en welke cijfers in 2026 tellen (cijfers afgerond of als marge; controleer bij twijfel altijd de officiële bron).
- De 1e pijler — het wettelijk pensioen. Gefinancierd door sociale bijdragen en uitbetaald door de Federale Pensioendienst. In 2026 is de wettelijke leeftijd 66 jaar (wordt 67 jaar in 2030). Het bedrag hangt af van je loopbaan en je lonen.
- De 2e pijler — het aanvullend pensioen. Opgebouwd via de werkgever (groepsverzekering) of, voor zelfstandigen, via specifieke formules. Het kapitaal ondergaat inhoudingen en wordt daarna belast aan 10 % of 16,5 % afhankelijk van je loopbaan.
- De 3e pijler — het individueel pensioensparen. Je spaart zelf en krijgt een jaarlijkse belastingvermindering. In 2026 bestaan er twee plafonds: 1.050 € (vermindering van 30 %) of 1.350 € (vermindering van 25 %).
- Je situatie nakijken. Raadpleeg je persoonlijk dossier op mypension.be om je geschatte pensioen en opgebouwde rechten te zien, en beslis dan of een 3e pijler voor jou zinvol is.
Waar het om gaat
Het wettelijk pensioen (1e pijler) is de basis. In 2026 is de wettelijke pensioenleeftijd 66 jaar; in 2030 wordt dat 67 jaar. Vervroegd vertrek blijft mogelijk vanaf 63 jaar met 42 loopbaanjaren, of vanaf 60 jaar met 44 loopbaanjaren. Voor een volledige loopbaan (45 jaar) ligt het gewaarborgd minimumpensioen rond 1.740 € bruto per maand voor een alleenstaande en 2.175 € bruto voor een gezin (cijfers 2026, afgerond). Het wettelijk pensioen alleen vervangt vaak maar een beperkt deel van het laatste loon, vandaar het belang van de aanvullende pijlers. De 2e pijler is het aanvullend beroepspensioen, meestal een groepsverzekering gefinancierd door de werkgever (en soms door de werknemer). Bij uitkering ondergaat het kapitaal een RIZIV-bijdrage van 3,55 %, een solidariteitsbijdrage (0 % tot 2 % afhankelijk van het bedrag, standaard toegepast sinds 1 januari 2026) en gemeentelijke opcentiemen, en wordt het daarna belast aan 10 % als je een volledige loopbaan van 45 jaar hebt en actief bleef in de 3 jaar vóór de wettelijke leeftijd, anders aan 16,5 %. De 3e pijler is het individueel pensioensparen, voor iedereen toegankelijk. Je sluit het af bij een bank (pensioenspaarfonds) of een verzekeraar (pensioenspaarverzekering). In ruil voor een langetermijnverbintenis krijg je elk jaar een belastingvermindering. Het gespaarde groeit beschermd tegen de roerende voorheffing van 30 %, en het kapitaal wordt eenmalig belast, aan 8 %, op 60 jaar. Daarnaast bestaat het langetermijnsparen (een apart product, plafond rond 2.450 € in 2026, vermindering van 30 %), vaak gekoppeld aan wonen.